Het verlangen naar iemand
groeit gelijk de behoefte aan niemand.
Iemand die voortkomt uit niemand
en niemand meer is.
Om te zijn met iemand
daar waar niemand ooit komt.
Laat je elke dag verrassen
Het verlangen naar iemand
groeit gelijk de behoefte aan niemand.
Iemand die voortkomt uit niemand
en niemand meer is.
Om te zijn met iemand
daar waar niemand ooit komt.
In het afnemen, schuilt
het grootste geschenk.
Terug naar binnen gestuurd,
niet op weg naar
een beloofd land.
Komt zij aan op heilige gronden.
Verandert haar zoeken in vinden.
Is zij met de rijkdom van het weten
tot het hoogste in staat.
En laat zij zien
daar waar zij allen zijn.
Het kroop bij hem naar binnen
en nestelde zich in het warme bad
van zorgen, want zorgen zouden
nog wel even blijven, dacht het.
Het had gelijk. En hoe meer het
liet weten dat het er zat, hoe
comfortabeler het werd omarmd.
Het voelde zich steeds meer thuis
en besloot te blijven waar het zat.
Wat hem nog restte om het kwijt
te raken, was stoppen zich zorgen
te maken, opdat het warme bad
van zorgen zou oplossen en het
zijn plek zou verliezen
en enkel nog kon verdwijnen.
Langer geleden dan ik oud ben
Voerde ik door de gedempte grachten
Om mij in de nachten te laven
Aan de laveloze stad
Voor de zoveelste keer
erin gelopen
De valkuil die kwetsbaarheid
heet
Zolang hun woede en angsten
nog welig tieren
is veiligheid onder het tapijt
verstopt
Uitgedrukt in regendruppels
storten zij zich uit
Hoosbuien waartegen geen
paraplu bescherming biedt
Pas wanneer de luchtbel
zo sterk en helder
Pas dan is verdrinken
niet meer mogelijk
En dobber ik rustig mee
op het stromen van de golven
Ik heb je schoenen vervangen
Je het peuteren in je neus afgeleerd
Je bierconsumptie gehalveerd
Gezorgd dat je voortaan
Je eigen hemden strijkt
De sleutels aan de spijker hangt
En voor het slapen gaan
Zonder het licht aan
Naast mij kruipt en
Bij het ontwaken
Geruisloos opstaat en
Stilletjes het huis verlaat
Hier – zo mooi – en daar en ginder en verderop
nooit zo mooi als hier tot ze ook hier worden.
Vandaag klom ik in mijn toren en keek uit over mijn leven
dat vol van veelheid moest worden teruggebracht tot eenheid.
Pure chocolade heb ik altijd het lekkerst gevonden.
Behendig viste ik bonbons uit het doosje dat met gouden letters,
de zwarte strik was reeds ontknoopt
Omgeven met juweeltjes die sprankelen in mijn oog en niet
van hen vervullen zij mijn leven nu en later en voor altijd.
Iedere poging gedoemd te mislukken
omdat successen nu eenmaal altijd slagen.
Stap ik op hem af en weet hoe het zal aflopen,
Haar hakken klinken
heldere sterren op de
vloer van ongebondenheid.
Daar voorbij die mensen
grenzen is enkel het
grote niets.
Onbestemd is zij met mij.
We zijn er altijd al.